WERKWOORD “GA” (go)
| Nederlands 1e persoon | Engels |
|---|---|
| Ik ga naar de winkel. | I am going to the store. |
| Ik ga wandelen in het park. | I like to go for a walk in the park. |
| Ik ga met mijn vrienden afspreken. | I am going to meet up with my friends later. |
| Ik ga altijd vroeg naar bed. | I always go to bed early. |
| Ik ga morgen op vakantie. | I am going on vacation tomorrow. |
| Ik ga naar de sportschool. | I go to the gym every week. |
| Ik ga een kopje koffie halen. | I am going to get a cup of coffee now. |
| Ik ga vanavond naar de bioscoop. | I am going to the cinema tonight. |
| Ik ga met de fiets naar mijn werk. | I always go to work by bike. |
| Ik ga zo eten koken. | I am going to cook dinner soon. |
| Ik ga de hond uitlaten. | I am going to walk the dog. |
| Ik ga vanmiddag boodschappen doen. | I am going grocery shopping this afternoon. |
| Ik ga vanavond lekker relaxen. | I am going to relax tonight. |
| Ik ga mijn huis schoonmaken. | I am going to clean my house this week. |
| Ik ga mijn e-mail beantwoorden. | I am going to reply to my emails as soon as possible. |
| Ik ga straks mijn vriendin bellen. | I am going to call my girlfriend later. |
| Ik ga volgende maand een nieuwe auto kopen. | I am going to buy a new car next month. |
| Ik ga binnenkort op reis naar Italië. | I am going to travel to Italy soon. |
| Ik ga mijn huiswerk maken. | I am going to do my homework now. |
| Ik ga vanmiddag met mijn broer lunchen. | I am going to have lunch with my brother this afternoon. |
|
|
|---|---|
| Nederlands 2e persoon | Engels |
| Jij gaat naar huis. (As a question: GA jij naar huis?) | You go home. |
| Je gaat naar de supermarkt. (As a question: Ga je naar de supermarkt?) | Are you going to the supermarket? |
| Jij gaat naar bed. | You go to bed. |
| Jij gaat ergens naar toe. (As a question: Waar ga je naartoe?) | Where are you going? |
| Je gaat naar de sportschool. | You always go to the gym. |
| Je gaat mee naar de film. (As a question: Ga je mee naar de film?) | Do you want to go to the movie? |
| Je gaat naar de dierentuin. | You go to the zoo. |
| Je gaat op vakantie. (As a question: Wanneer ga je op vakantie?) | When are you going on vacation? |
| Je gaat vroeg opstaan. | You get up early. |
| Je gaat naar het feest vanavond. (As a question: Ga je naar het feest vanavond?) | Are you going to the party tonight? |
| Jij gaat met de trein. | You go by train. |
| Je gaat niet zwemmen. (As a question: Waarom ga je niet zwemmen?) | Why don’t you go swimming? |
| Je gaat naar de stad. | You go to the city. |
| Jij gaat mee wandelen in het park. (As a question: Ga je mee wandelen in het park?) | Do you want to go for a walk in the park? |
| Je gaat naar de bibliotheek. | You go to the library. |
| Je gaat op tijd naar bed. (As a question: Ga je op tijd naar bed?) | Will you go to bed on time? |
| Je gaat met de bus naar school. | You go to school by bus. |
| Je gaat ergens heen na je werk. (As a question: Waar ga je heen na het werk?) | Where are you going after work? |
| Je gaat vaak naar de bioscoop. | You often go to the cinema. |
| Je gaat boodschappen doen. (As a question: Ga je boodschappen doen?) | Are you going grocery shopping? |
| Jij gaat op bezoek bij je vrienden. | You go visit your friends. |
| Nederlands 3e persoon | Engels |
|---|---|
| Hij gaat naar school. | He goes to school. |
| Zij gaat naar de supermarkt. | She goes to the supermarket. |
| De hond gaat buiten spelen. | The dog goes outside to play. |
| De trein gaat snel. | The train goes fast. |
| Het boek gaat over avontuur. | The book is about adventure. |
| De zon gaat onder in de avond. | The sun sets in the evening. |
| Mijn vader gaat elke dag joggen. | My dad goes jogging every day. |
| De vogels gaan naar het zuiden tijdens de winter. | The birds go south during the winter. |
| Hij gaat graag naar de bioscoop. | He likes to go to the cinema. |
| Zij gaat op zondag naar de kerk. | She goes to church on Sundays. |
| De kinderen gaan naar school met de bus. | The children go to school by bus. |
| Het vliegtuig gaat binnenkort landen. | The airplane is going to land soon. |
| Hij gaat vanavond uit met vrienden. | He is going out with friends tonight. |
| Mijn moeder gaat naar de kapper voor een knipbeurt. | My mom is going to the hairdresser for a haircut. |
| De kat gaat onder de tafel zitten. | The cat goes under the table. |
| Zij gaat vroeg naar bed op weekdagen. | She goes to bed early on weekdays. |
| Het winkelcentrum gaat om 9 uur ‘s ochtends open. | The shopping mall opens at 9 am. |
| Hij gaat niet akkoord met de beslissing. | He doesn’t agree with the decision. |
| De trein gaat altijd op tijd. | The train always goes on time. |
| Zij gaat snel naar huis na het werk. | She goes home quickly after work. |
| Het spel gaat beginnen. | The game is about to start. |
