Persoonsvormen

Hij (lopen) ______ naar school. 1. Zet de zin in de onvoltooid verleden tijd.
2. Wat is correct?:  “Jij HEB, BEN of HEBT het hele stuk gelopen?”
3. Wat is correct?:  “Ik HEB, BEN of HEBT het hele stuk naar huis gelopen.”
Zij (lezen) ______ een boek. 1. Hoe zeg je in de tegenwoordige tijd eerste persoon enkelvoud dat je een boek leest?
2. Gebruik de zin uit vraag 1 en gebruik de duratieve vorm.
(De duratief vorm je zo: ‘een vorm van zijn‘ + ‘aan het’ + ‘infinitief‘.)
De hond (blaffen) ______ in de tuin. 1. Zet de zin in meervoud
2. Zet daarna de zin in de onvoltooid verleden tijd.
3. Kun je nog een zin maken waarbij je het woord “blaffen” vervangt voor wat anders wat een hond kan doen?
Jantje (spelen) ______ met zijn vrienden. 1. Kun je “vrienden” in deze zin zomaar vervangen voor een instrument, of moet er dan iets in de zin worden veranderd? En waarom?
Mijn moeder (koken) ______ elke dag. 1. Hoe zeg je in de tweede persoon meervoud dat je NIET elke dag kookt?
2. Is er een verschil tussen ELKE dag en IEDERE dag? En waarom?
De jongen (fietsen) ______ naar het park. 1. Hoe verteld de jongen thuis aan zijn moeder wat hij heeft gedaan?
2. Je kunt zeggen: “de jongen fietste eerst naar het park”. Mag je dan ook zeggen: “Als tweede fietste hij naar huis” of zou je dat anders zeggen? Hoe dan? En waarom?
Zij (werken) ______ hard voor haar examen. 1. Staat deze zin in de eerste, tweede of derde persoon enkelvoud?
2. Kun je ook zeggen dat iemand “zacht” voor zijn examen werkt?
De kat (slapen) ______ op de bank. 1. Zet de zin in de onvoltooid verleden tijd.
2. Zet de zin in meervoud.
3. Als de kat ook nog eens op een kussentje of dekentje ligt, hoe zou je dat dan in deze zin plaatsen/ zeggen?
Ik (schrijven) ______ een brief. 1. Maak deze zin en gebruik: BEN.
2. Maak deze zin en gebruik: HEB.
3. Leg uit wat het verschil is tussen de twee zinnen.
Hij (leren) ______ voor zijn tentamen. 1. Wat kan het woord “leer” nog meer betekenen? (homoniem)
2. Hoe is de zin eerste persoon meervoud voltooid verleden tijd?
3. Hoe zou je deze zin in de eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd zeggen?
Het kind (lachen) ______ om de clown. 1. Zet de zin in de onvoltooid verleden tijd.
2. Is dat met 1 T of met 2 T’s?
3. Zet de zin in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd
Mijn vader (wassen) ______ de auto. 1. Als je vader bijvoorbeeld (zijn) kleren aan het wassen is, hoe zeg je het dan?
De leraar (uitleggen) ______ de les uit. 1. Hoe kun je hier een “mooiere” zin van maken? ( “gebruik aan het”)
2. De zin die je mooier hebt gemaakt, als je die in eerste persoon enkelvoud zet, hoe zeg je het dan?
Zij (vinden) ______ het leuk om te dansen. 1. Zet de zin in de onvoltooid verleden tijd.
2. Maak een vraag van de zin.
De film (beginnen) ______ om acht uur. 1. Wat zeg je aan iemand die vraagt hoe laat de film begon?
2. Hoe vertel je aan iemand dat de film NU van start gaat?
3. Hoe vertel je aan iemand dat de film morgen om 8 uur gaat beginnen?
Mijn zus (zingen) ______ in het koor. 1. Hoe zou je zeggen dat JIJ met je zus in het koor zingt?
2. Hoe zeg je dat je met je zus aan het zingen bent?
3. Hoe zeg je de zin uit vraag twee in de verleden tijd?
Jij (kijken) ______ naar de sterren. 1. Wat kan het woord “sterren” nog meer betekenen in deze zin?
2. Zet de zin in de onvoltooid verleden tijd.
3. Hoe is de zin in de derde persoon meervoud verleden tijd?
De bloem (groeien) ______ in de tuin. 1. Hoe noem je een bos bloemen?
2. Wat is het verschil tussen bloeien en groeien?
3. Hoe noem je het als je de bloemen afbreekt/ snijd om een bos te maken?
Hij (vragen/ stelde) ______ een interessante vraag. 1. Hoe zeg je het tegen over gestelde?
2. Hoe zeg je dit in de verleden tijd?
De student (presenteren) ______ zijn project. 1. Hoe noem je het in het algemeen wat de student dan geeft? (zelfstandig naamwoord)
Het boek (zijn) ______ spannend. 1. Hoe zeg je (in het Nederlands) dat het boek “more exciting” was dan de film?
2. Waar bestaat een boek uit? En welke 2 meervouden zijn daar voor?
Mijn vriendin (bellen) ______ me vaak. 1. Mag je zeggen: “Ik ben met mijn vriendin aan het bellen?”
2. Mag je zeggen: “Ik ga bij mijn vriendin aanbellen?”
Zij (dromen) ______ van een mooie vakantie. 1. Zeg je: Ik ga MET vakantie of zeg je: ik ga OP vakantie?
De zon (schijnen) ______ fel vandaag. 1. Zet deze zin in de onvoltooid verleden tijd.
2. Zet deze zin in de voltooid verleden tijd.