In Dutch we call your head, torso, arms and legs your LICHAAM (body), or in short/ general, your “lijf“. All your bones together are called your skeleton, or in Dutch “skelet“. 1 bone we call in Dutch “bot“, multiple bones we call “botten“. A muscle we call in Dutch a “spier” and multiple muscles we call “spieren“.
English
Dutch
How to say
As in…
Body
Het/ een Lichaam
1 lichaam > 2 lichamen
Je lichaamsdelen zitten vast aan je lichaam. (Your body parts are attached to your body.)
Body
Een/ het lijf
1 lijf > 2 lijven
Je zorgt goed voor je lijf. (You take good care of your body.)
Skeleton
Het/ een Skelet
1 skelet > 2 skeletten
Je botten vormen je skelet. (Your bones form your skeleton.)
Bone
Het/ een Bot
1 bot > 2 botten
Je skelet bestaat uit allerlei botten. (Your skeleton consists of all kinds of bones.)
Muscle
Een Spier
1 spier > 2 spieren
Je spieren heb je nodig om te bewegen. (You need your muscles to move.)
Arm
Arm de/ een arm
1 arm > 2 armen
Een hand zit vast aan een arm. De armen zitten vast aan je lijf. ( A hand is attached to an arm. The arms are attached to your body. )
Leg
Been een been, de benen
1 been> 2 benen
Een voet zit vast aan een been. De benen zitten vast aan je lijf. ( A foot is attached to a leg. The legs are attached to your body. )
Hand
Hand de/ een hand
1 hand > 2 handen
Je geeft iemand een hand, de hand zit vast aan je arm. ( You shake someone’s hand, the hand is attached to your arm. )
Feet
Voet de/ een voet
1 voet > 2 voeten
Een voet zit vast aan een been. De voeten zijn een lichaamsdeel. ( A foot is attached to a leg. The feet are a part of the body. )
Finger
Vinger een/ de vinger
1 vinger> 2 vingers
Een vinger zit aan je hand. De vingers zitten vast aan je handen. ( A finger is on your hand. The fingers are attached to your hands. )
Head
Hoofd het hoofd
1 hoofd > 2 hoofden
Het hoofd staat op je schouders. ( The head is on your shoulders. )
Ear
Oor een oor
1 oor > 2 oren
Een oor zit vast aan je hoofd. De oren zijn om te horen. ( One ear is attached to your head. The ears are for hearing. )
Eye
Oog het oog
1 oog > 2 ogen
Een oog gebruik je om te zien. De ogen zijn een complex lichaamsdeel. ( You use one eye to see. The eyes are a complex body part. )
Nose
Neus de neus
1 neus > 2 neuzen
De neus gebruik je om te ruiken. Een neus zit vast aan je hoofd. ( You use the nose to smell. A nose is attached to a head. )
Mouth
Mond de mond
1 mond > 2 monden
De mond gebruik je om te praten. Een mond zit vol tanden. ( You use the mouth to talk. A mouth is full of teeth. )
Hair
Haar een haar, het haar
1 haar > 2 haren
Een haar zit op je hoofd. Het haar is blond. ( A hair is on your head. The hair is blond. )
Teeth
Tand een tand, de tanden
1 tand > 2 tanden
Een tand zit in je mond. De tanden waren goed gepoetst. ( A tooth is in your mouth. The teeth were well brushed. )
Nails
Nagel een nagel, de nagels
1 nagel > 2 nagels
Met een nagel kun je krabben. De nagels waren mooi gelakt. ( You can scratch with a nail. The nails were nicely painted. )
Beard
baard een  baard
1 baard > 2 baarden
De kerstman heeft een baard. ( Santa has a beard. )
Mustache
Snor een snor
1 snor > 2 snorren
De kerstman heeft een snor. ( Santa Claus has a mustache. )
Toe
Teen een teen, de tenen
1 teen > 2 tenen
Een teen zit vast aan je voet. De tenen zitten vast aan je voeten. ( A toe is attached to your foot. The toes are attached to your feet. )