Vervoegen

Example: Ik loop > Ik ga lopen > ik heb gelopen

Ik loop Ik ga … Ik heb het hele stuk…
Ik werk Ik ga … Ik heb de hele week…
Ik fiets Ik ga … Ik heb het hele stuk…
Ik ren Ik ga … Ik heb 5 kilometer…
Ik eet Ik ga … Ik heb heerlijk…
Ik drink Ik ga … Ik had teveel…
Ik denk Ik ga … Ik had dat nooit van hem
Ik zwem Ik ga … Ik heb in het zwembad…
Ik zit Ik ga … Ik heb daar
Ik sta Ik ga … Ik heb uren lang in de regen…
Ik bel Ik ga … Ik heb jou gister…
Ik kook Ik ga … Ik heb gister heerlijk…
Ik rijd Ik ga … Ik ben naar Amsterdam…
Ik telefoneer Ik ga … Ik heb…
Ik stop Ik ga … Ik ben er mee…

 

 

Example: Loop> Liep

Loop Ik …tegen een boom aan.
Werk Ik …heel lang bij dat bedrijf.
Fiets Ik …vroeger heel veel.
Ren Ik …hard weg voor hem.
Eet Ik …altijd heel veel.
Drink Ik …altijd thee.
Denk Ik …dat jij dat wel wist.
Zwem Ik …naar de overkant.
Zit Ik …lekker op de bank.
Sta Ik ..op voor de oude mevrouw.
Bel Ik …112.
Kook Ik …altijd als ik uit mijn werk kwam.
Rijd Ik …vorige week naar huis.
Telefoneer Ik …eerder op de dag naar huis.
Stop Ik …toen ik een boom op de weg zag liggen.

 

 

Binnen, buiten, onder, boven, aan, uit, achter, voor, naar, in, op….

Ik ga ________ mijn huis lopen.
Ik loop ________ een brug.
Ik zit ________ de auto.
Jij zit ________ mij in de bus.
De vogel vliegt ________ mijn hoofd.
Ik loop de trap af naar ________ .
Ik trek mijn schoenen ________ .
________ is het koud, ik trek mijn jas ________ .