In de keuken / The Kitchen (only Dutch)

As in…
Ik bereid mijn eten in ________. Ik ben dan aan het ________.
________ gebruik je tijdens het eten.
Met ________ snijd je je vlees in stukjes. Met ________ kun je snijden. ________ liggen in de keukenla bij het bestek.
Met ________ kun je soep eten. ________ is om vloeibare dingen te eten.
________ roer je je koffie of thee. ________ is om je koffie of thee te roeren.
Met ________ droog je je handen af. ________ is om je handen af te drogen. De handdoek kun je ook vinden in de _________ .
Met ________ kun je borden en bestek afdrogen. Je droogt een vork af.
Op ________ ligt je eten. ________ staat op tafel.
Bij ________ hoort een kopje. Daarom zeggen wij in Nederland: Kop en ________.
In ________ kun je eten koken. Je kookt het eten. ________ staat op de kookplaat of het ________ .
In ________ kun je yogurt doen. Of vla. We noemen dat in Nederland een toetje.
In ________ bak je bijvoorbeeld vlees of een pannekoek.
Omdat dit ________ in de keuken is noem je het de ________.
Uit ________ kun je drinken.
Deze les gaat over ________. In ________ maak je eten en doe je de afwas.
Het werkblad in de keuken noemen we ________.
Onder de aanrecht vindt je ________. In ________ staan vaak pannen en potten.
Tussen de aanrecht en de keukenkastjes zit ________. In de ________ (plural) zit vaak bestek.
In ________ bewaar je eten en drinken. Dan blijft het langer goed.
Op ________ kook of bak je je eten. Een ________ heeft een vlam.
Tegenwoordig is alles elektrisch en dan noem je het een ________. Of een Elektrische  ________ .