Gebouwen (only Dutch)

In een zin…
Ik woon in een _____.
Of: Het ______ waar ik in woon
Ik haal mijn paspoort op het ___ .
Ik haal mijn pakket op bij het _______.
Ik leen boeken bij de ______.
Of: In de _______ leen je boeken
Ik doe mijn boodschappen bij de _______.
Een agent werkt op het ________.
Een verpleegster werkt in een ________
Ik haal mijn patatje bij de _______.
We gaan uit eten in een ______.
Of: Het is een goed ________
Ik zet mijn geld op de _______.
Ik ga zwemmen in het ________.
Ik stuur je geld via het _______ .
Er wonen veel mensen samen in een _______.
Gezellig naar de _________ .