Example: Ik loop > Ik ga lopen > ik heb gelopen
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)/ Simple present tense
This tense represents an action taking place at the moment of speaking. |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)/ Present future tense (ottt)
This tense represents an action that will take place in the future. |
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) / Present perfect
Used for actions that took place in the past from the moment of speaking and have been completed. |
| Ik loop | Ik ga lopen | Ik heb het hele stuk gelopen |
| Ik werk | Ik ga werken | Ik heb de hele week gewerkt |
| Ik fiets | Ik ga fietsen | Ik heb het hele stuk gefietst |
| Ik ren | Ik ga rennen | Ik heb 5 kilometer gerend |
| Ik eet | Ik ga eten | Ik heb heerlijk gegeten |
| Ik drink | Ik ga drinken | Ik had teveel gedronken |
| Ik denk | Ik ga denken | Ik had dat nooit van hem gedacht |
| Ik zwem | Ik ga zwemmen | Ik heb in het zwembad gezwommen |
| Ik zit | Ik ga zitten | Ik heb daar gezeten |
| Ik sta | Ik ga staan | Ik heb uren lang in de regen gestaan |
| Ik bel | Ik ga bellen | Ik heb jou gister gebeld |
| Ik kook | Ik ga koken | Ik heb gister heerlijk gekookt |
| Ik rijd | Ik ga rijden | Ik ben naar Amsterdam gereden |
| Ik telefoneer | Ik ga bellen (telefoneren) | Ik heb gebeld (getelefoneerd) |
| Ik stop | Ik ga stoppen | Ik ben er mee gestopt |
Example: Loop> Liep
| Verleden tijd/ Past tense | |
| Loop | Ik liep tegen een boom aan. |
| Werk | Ik werkte heel lang bij dat bedrijf. |
| Fiets | Ik fietste vroeger heel veel. |
| Ren | Ik rende hard weg voor hem. |
| Eet | Ik at altijd heel veel. |
| Drink | Ik dronk altijd thee. |
| Denk | Ik dacht dat jij dat wel wist. |
| Zwem | Ik zwom naar de overkant. |
| Zit | Ik zat lekker op de bank. |
| Sta | Ik stond op voor de oude mevrouw. |
| Bel | Ik belde 112. |
| Kook | Ik kookte altijd als ik uit mijn werk kwam. |
| Rijd | Ik reed vorige week naar huis. |
| Telefoneer | Ik telefoneerde eerder op de dag naar huis. |
| Stop | Ik stopte toen ik een boom op de weg zag liggen. |
Binnen, buiten, onder, boven, aan, uit, achter, voor, naar, in, op….
| Ik ga naar mijn huis lopen. |
| Ik loop over een brug. |
| Ik zit in de auto. |
| Jij zit naast mij in de bus. |
| De vogel vliegt over mijn hoofd. |
| Ik loop de trap af naar beneden. |
| Ik trek mijn schoenen aan. |
| Buiten is het koud, ik trek mijn jas aan. |
