Werkwoorden III

Verbs indicate which tense the sentence is in: the past tense, the present tense or the future tense. This can all be done in one verb, but two or more verbs can also be used.

I go to work by train. (first person singular, present tense)
The girls played hide and seek all afternoon. (third person plural, present perfect)

[columns] [span4]

[/span4][span8]

It’s seven o’clock in the morning and i wake up.

Het is zeven uur in de ochtend en ik WORD wakker.


NOW: ik WORD, jij WORDT, zij/ze/wij WORDEN


PAST: ik WERD, jij WERD, zij/ze/wij WERDEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

I’m in my bed.

Ik LIG in mijn bed.


NOW: ik LIG, jij LIGT, zij/ze/wij LIGGEN


PAST: ik LAG, jij LAG, zij/ze/wij LAGEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

The alarm goes off.

De wekker GAAT af.


NOW: ik GA, jij GAAT, zij/ze/wij GAAN


PAST: ik GING, jij GING, zij/ze/wij GINGEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

I MUST get up to now.

Ik MOET nu opstaan.


NOW: ik MOET, jij MOET, zij/ze/wij MOETEN


PAST: ik MOEST, jij MOEST, zij/ze/wij MOESTEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

Otherwise I WILL be late for work.

Anders BEN ik te laat voor mijn werk.


NOW: ik BEN, jij BENT, zij/ze/wij ZIJN


PAST: ik WAS, jij WAS, zij/ze/wij WAREN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

I get up and go to the bathroom.

Ik STA op en GA naar de badkamer.


NOW: ik STA, jij STAAT, zij/ze/wij STAAN


PAST: ik STOND, jij STOND, zij/ze/wij STONDEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

I brush my teeth.

Ik POETS mijn tanden.


NOW: ik POETS, jij POETST, zij/ze/wij POETSEN


PAST: ik POETSTE, jij POETSTE, zij/ze/wij POETSTEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

Then I go downstairs.

Daarna GA ik naar beneden.


NOW: ik GA, jij GAAT, zij/ze/wij GAAN


PAST: ik GING, jij GING, zij/ze/wij GINGEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

I DRINK a cup of coffee in the kitchen.

Ik DRINK een kopje koffie in de keuken.


NOW: ik DRINK, jij DRINKT, zij/ze/wij DRINKEN


PAST: ik DRONK, jij DRONK, zij/ze/wij DRONKEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

It’s raining outside I’m getting wet and cold.

Het regent buiten, ik word nat en koud.


NOW: ik WORD, jij WORDT, zij/ze/wij WORDEN


PAST: ik WERD, jij WERD, zij/ze/wij WERDEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

I PUT ON my thick coat.

Ik TREK mijn dikke jas aan.


NOW: ik TREK, jij TREKT, zij/ze/wij TREKKEN


PAST: ik TROK, jij TROK, zij/ze/wij TROKKEN

[/span8][/columns]


[columns] [span4]

[/span4][span8]

Today I go to work by bus.

Ik GA vandaag met de bus naar mijn werk.


NOW: ik WERK, jij WERKT, zij/ze/wij WERKEN


PAST: ik WERKTE, jij WERKTE, zij/ze/wij WERKTEN

[/span8][/columns]