Vocab,A2.

1️⃣ Familie&vrienden/Family&friends(10 words)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/example sentence
neef cousin (male) Mijn neef woont in Duitsland.
nicht cousin (female) Mijn nicht speelt piano.
schoonzus sister-in-law Mijn schoonzus komt op bezoek.
schoonbroer brother-in-law Mijn schoonbroer werkt in een restaurant.
vriend friend (male) Mijn vriend helpt mij vaak.
vriendin friend (female) Zij is mijn vriendin sinds vorig jaar.
collega colleague Ik heb een leuke collega.
buurman neighbor (male) De buurman is vriendelijk.
buurvrouw neighbor (female) De buurvrouw heeft een kat.
kennissen acquaintances Ik heb veel kennissen op school.

2️⃣ Huis & meubels (10 words)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/example sentence
balkon balcony Wij zitten op het balkon.
tuin garden De tuin is groot en groen.
garage garage Mijn auto staat in de garage.
stoel chair De stoel is kapot.
tafel table De tafel is te klein.
kast cupboard/closet De kast is vol met kleding.
bed bed Ik slaap elke nacht in mijn bed.
bank couch Wij zitten op de bank.
lamp lamp De lamp staat naast het bed.
vloer floor De vloer is schoon gemaakt.

3️⃣ Eten&drinken/Food&drinks (10 words)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/example sentence
ontbijt breakfast Ik eet ontbijt om 7 uur.
lunch lunch Wij hebben om 12 uur lunch.
diner dinner Het diner begint om 6 uur.
snack snack Ik eet een kleine snack.
water water Ik drink altijd water.
thee tea Ik drink thee in de ochtend.
koffie coffee Hij drinkt koffie met melk.
vrucht fruit Een vrucht is gezond.
groente vegetable Ik eet elke dag groente.
suiker sugar Ik doe suiker in mijn thee.

4️⃣ Werk & school/ Work/school (10 words)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/example sentence
baas boss Mijn baas is streng.
collega colleague Mijn collega is aardig.
vergadering meeting De vergadering begint om 10 uur.
salaris salary Mijn salaris is laag.
werkplek workplace Mijn werkplek is schoon.
school school Ik ga naar school.
docent teacher De docent legt de les uit.
klas class De klas is groot.
toets test Wij hebben morgen een toets.
opdracht assignment De opdracht is moeilijk.

5️⃣ Dagelijks leven & activiteiten/ Daily life & activities

 (15 words)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/example sentence
sporten to do sports Ik sport elke dag.
wandelen to walk Wij wandelen in het park.
lezen to read Ik lees een interessant boek.
schrijven to write Ik schrijf een brief.
koken to cook Zij kookt vaak voor haar familie.
boodschappen doen shopping Ik doe boodschappen op zaterdag.
schoonmaken cleaning Ik maak elke week schoon.
wassen washing Ik was mijn kleren.
reizen travel Ik reis graag met de trein.
zwemmen swim Ik zwem in de zomer.
fietsen cycling Ik fiets elke ochtend naar werk.
televisie kijken watch TV Wij kijken televisie ’s avonds.
muziek luisteren listen to music Ik luister naar muziek in de auto.
praten talking Wij praten over het weekend.
bellen calling Ik bel mijn vriend.

6️⃣ Tijd & datum/ Time&date (10 words)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/example sentence
vandaag today Vandaag is het mooi weer.
gisteren yesterday Gisteren regende het.
morgen tomorrow Morgen ga ik naar Amsterdam.
week week De week is voorbij.
maand month Ik ben jarig deze maand.
jaar year Dit jaar ga ik op vakantie.
uur hour Het is 10 uur.
minuut minute Wacht een minuut.
seconde second Het duurt één seconde.
tijd time Tijd gaat snel.

7️⃣ Plaatsen & transport / Places & transportation (10 words)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/example sentence
straat street De straat is druk.
plein square Wij zitten op het plein.
park park Ik wandel in het park.
station station Het station is groot.
bus bus Ik neem de bus.
trein train Ik reis met de trein.
auto car Ik rij met de auto.
fiets bike Ik fiets naar school.
vliegtuig plane Ik vlieg met het vliegtuig.
boot boat Wij gaan met de boot naar het eiland.

8️⃣ Gevoelens & emoties/ Feelings & emotions (10 words)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/example sentence
blij happy Ik ben blij vandaag.
verdrietig sad Hij is verdrietig.
boos angry Zij is boos op mij.
moe tired Ik ben moe na het werk.
bang scared Het kind is bang.
enthousiast excited Ik ben enthousiast over vakantie.
zenuwachtig nervous Ik ben zenuwachtig voor de toets.
verrast surprised Ik ben verrast door het cadeau.
teleurgesteld disappointed Ik ben teleurgesteld over het resultaat.
trots proud Ik ben trots op mijn dochter.

9️⃣ Natuur & omgeving/ Nature and surroundings

(10 woorden)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/example sentence
boom tree Er staat een grote boom.
bloem flower De bloem is rood.
gras grass Het gras is groen.
rivier river De rivier is breed.
zee sea Wij zwemmen in de zee.
strand beach Ik ga naar het strand.
berg mountain De berg is hoog.
bos forest Wij wandelen in het bos.
zon sun De zon schijnt vandaag.
regen rain Het regent buiten.

10️⃣ Communicatie & media / Communication & media (10 words)

Nederlands Engels Voorbeeldzin/

example sentence

telefoon phone Ik bel met mijn telefoon.
sms text message Ik stuur een sms.
e-mail email Ik stuur een e-mail.
brief letter Ik schrijf een brief.
krant newspaper Ik lees de krant.
tijdschrift magazine Ik lees een tijdschrift.
computer computer Ik werk op de computer.
internet internet Ik zoek informatie op internet.
foto photo Ik maak een foto.
bericht message Ik stuur een bericht.