Werkwoorden I (speak)

WORDS BELOW ARE ALL WERKWOORDEN (verbs)

English Dutch Conjugation (first person)
Walking  Lopen Ik loop
Working  Werken Ik werk
Cycling  Fietsen Ik fiets
Running Rennen Ik ren
Tell Vertel Ik vertel
Eating  Eten Ik eet
Journey / travel Reis Ik reis
Drinking Drinken Ik drink
Thinking  Denken Ik denk
Coding  Coderen Ik codeer
Swimming  Zwemmen Ik zwem
Sitting  Zitten  Ik zit
Standing  Staan  Ik sta
Calling  Bellen  Ik bel
Ordering  Bestellen  Ik bestel
Knowing  Weten  Ik weet
Doing  Doen  Ik doe
Sleeping  Slapen  Ik slaap
Singing  Zingen  ik zing
Playing  Spelen  Ik speel
Washing  Wassen  Ik was
Cooking  Koken  Ik kook
Showering  Douchen  ik douche
Riding  Rijden  Ik rijd
Programming  Programmeren  Ik programmeer
Falling  Vallen  ik val
Dreaming  Dromen  Ik droom
Jumping  Springen  Ik spring
Meeting  Vergaderen  Ik vergader
Discuss  Bespreken  Ik bespreek
Talk on the phone  Telefoneren  Ik telefoneer
Faxing  Faxen  Ik fax
Mail  Mailen  Ik mail
Reading  Lezen  Ik lees
Shopping  Winkelen  Ik winkel
Going  Gaan  Ik ga
Be  Zijn  Ik BEN
laying  Liggen  Ik lig
Talking  Praten  Ik praat
Stopping/ ending  Stoppen  Ik stop
Starting Beginnen Ik begin
Starting  Starten  Ik start
Evaluating  Evalueren  Ik evalueer
Pausing  Pauzeren  Ik pauzeer
Sporting/ Working out  Sporten  Ik sport
Flying  Vliegen  Ik vlieg
Correcting  Verbeteren  Ik verbeter
Checking  Nakijken  Ik kijk na
Check  Controleren  Ik controleer
Helping  Helpen  Ik help
Waiting  Wachten  Ik wacht
Answering  Antwoorden  Ik antwoord
Training  Trainen  Ik train
To practice  Oefenen  Ik oefen
To ask Vragen Ik vraag
Getting Krijgen Ik krijg
Sending Sturen Ik stuur
Writing Schrijven Ik schrijf