Dieren/ Animals (speak)

English Dutch How to say As in…
Goat Geit
de geit, een geit
1 geit > 2 geiten
De/ een geit is een gek beest.
( A goat is a funny animal. )
Dog Hond
de/ een hond
1 hond > 2 honden
De/ een hond blaft.
( A dog barks. )
Chicken Kip
de/ een kip
1 kip > 2 kippen
De/ een kip legt eieren.
( Chickens lay eggs. )
Cow Koe
de/een koe
1 koe > 2 koeien
De/ een koe geeft melk.
( A cow gives milk. )
Horse Paard
het/ een paard
1 paard > 2 paarden
Op een paard kun je rijden.
( You can ride a horse. )
Sheep Schaap
het/ een schaap
1 schaap > 2 schapen
Het / een schaap geeft wol.
( A sheep gives wol. )
Mouse Muis
de/ een muis
1 muis > 2 muizen
De/ een muis is klein
( A mouse is small )
Cat Kat
de/ een kat
1 kat > 2 katten
De/ een kat vangt muizen.
( A cat catches mice. )
Pig Varken
het/ een varken
1 varken > 2 varkens
Het/ een varken houdt van modder.
( A pig likes mud. )
Fish Vis
de/ een vis
1 vis > 2 vissen
De/ een vis zwemt in het water.
( Fish swim in the water. )
Bird Vogel
de/ een vogel
1 vogel > 2 vogels
De/ een vogel kan vliegen.
( A bird can fly. )