Voorzetsels 1

Voorzetsels deel 1, PLAATS

Je hebt in de lessen verschillende voorzetsels geleerd en daar voorbeelden van gekregen. Gebruik deze voorzetsels in de volgende zinnen. Er is maar 1 antwoord mogelijk.

(You have learned various prepositions in the lessons and been given examples of them. Use these prepositions in the following sentences. Only 1 answer is possible.)

1 / 40

Haar hoofd ligt ....... Het kussen.

2 / 40

Hij ligt ....... Zijn deken.

3 / 40

Hij verstopt zich ....... het bed.

4 / 40

Ze fietsen ....... elkaar.

5 / 40

De kinderen spelen graag ....... het park.

6 / 40

De vogel vliegt ....... de boom.

De vogel kan LANGS een boom vliegen, maar ook ??? een boom.

7 / 40

Hij kijkt ....... de tv.

8 / 40

Ze gaat ....... haar vriendin op bezoek.

9 / 40

De kat rent ....... de tuin.

10 / 40

De fiets staat ....... de schuur.

11 / 40

Hij loopt ....... zijn huis.

Je kan zeggen dat hij IN zijn huis loopt, maar correct is ????.

12 / 40

De auto staat ....... de garage.

13 / 40

Ze zitten ....... de bank te kletsen (praten).

14 / 40

Hij hangt zijn jas ....... de kapstok.

15 / 40

Hij zit ....... de trein.

16 / 40

De bal rolt ....... het veld.

17 / 40

Ze lopen ....... het gebouw.

Je kan NAAR een gebouw lopen, maar wanneer je IN het gebouw bent loop je ???? het gebouw.

18 / 40

De sleutels liggen ....... de auto.

19 / 40

Hij loopt ....... zijn vriend in de stad.

20 / 40

De kinderen spelen ....... de tuin.

21 / 40

De boeken liggen ....... de tafel.

22 / 40

Ze gaan elk jaar ....... vakantie naar Italië.

23 / 40

De kat ligt ....... het bed.

24 / 40

Hij kijkt ....... het raam naar buiten.

25 / 40

De schilder hangt het schilderij ....... de muur.

26 / 40

Ze lopen ....... elkaar op de straat.

27 / 40

Hij valt ....... de bank in slaap.

28 / 40

De vogels vliegen ....... de lucht.

29 / 40

Ze wandelen graag ....... het strand.

30 / 40

De mensen staan ....... de bus te wachten.

31 / 40

Het boek staat ....... de kast.

32 / 40

Hij zit ....... zijn bureau te werken.

33 / 40

De hond ligt ....... de stoel te slapen.

Een kleine hond kan ook OP de stoel slapen, maar deze hond ligt ???? de stoel.

34 / 40

De bloemen staan ....... de vaas.

35 / 40

Ze verdwaalden ....... het donkere bos.

36 / 40

De kinderen rennen ....... elkaar.

37 / 40

We gaan ....... de film.

38 / 40

De fiets staat ....... de muur.

39 / 40

De kat springt ....... de tafel.

De kat kan VAN de tafel springen, maar eerst moet hij er dan ??? zijn gesprongen.

40 / 40

Hij loopt ....... het park.

Je kan NAAR het park lopen, maar je kunt ook ??? het park lopen.

Your score is