Eten en drinken (Only Dutch)

In een zin…
Ik eet vaak _______.
Het ______  koop je bij de slager.
_______ koop je bij de groenteboer.
______ koop je bij de groenteboer.
Een _______ koop je bij de bakker.
_______ koop je bij de groenteboer.
De _______ was in blokjes gesneden.
De _______ waren lekker.
______ prikkelt en is lekker.
De _______ zijn erg lekker.
In ______ zit veel suiker.
De _________ waren gesmolten.
______ komt van een koe.
Mijn kopje  _____ is nog heet.
Ik drink een kopje _____ zonder suiker.
De ______ is op.
_____ is een specerij.
______ is een specerij.
Ik zwem in het _______.
Kun je mij de ______ aangeven?
Nederlanders eten vaak een _______ met mayonaise.
Bijna iedereen lust wel een lekkere ______.