| T-Shirt |
T-Shirt
een/ het T-Shirt
1 T-Shirt > 2 T-Shirt’s |
|
Het T-Shirt is zwart. Ik draag een T-Shirt.
( The T-Shirt is black. I am wearing a T-Shirt) |
 |
| Trousers |
Broek
een/ de broek
1 broek > 2 broeken |
|
Ik draag een broek. De spijkerbroek is populair.
( He is wearing trousers. Jeans are populair) |
 |
| Underwear |
Ondergoed
het ondergoed |
|
Je draagt ondergoed onder je kleren.
( you wear underwear under your clothes. ) |
 |
| Sweater |
Sweater/ Trui
een/ de sweater/ trui
1 trui> 2 truien |
|
Een trui is vaak van wol. De sweater vaak niet.
( In Dutch a “trui” is often made of wol, a sweater is often not. ) |
 |
| Schoen |
Schoen
de schoenen, een schoen
1 schoen > 2 schoenen (paar) |
|
Mijn schoenen waren versleten. Er lag een schoen op straat.
( My shoes were worn out. A shoe was laying on the street) |
 |
| Booth |
Laars
de laarzen, een laars
1 laars > 2 laarzen (paar) |
|
Mijn laarzen waren versleten. Er lag een laars op straat.
( My booths were worn out. A booth was laying on the street) |
 |
| Gloves |
Handschoen
een/ de handschoen, de handschoenen
1 handschoen > 2 handschoenen (paar) |
|
Mijn handschoenen waren warm. Er lag een handschoen op straat.
( My gloves were warm. A glove was laying on the street) |
 |
| Cap |
Pet
een/ de pet
1 pet > 2 petten |
|
Hij droeg een pet. De pet was zwart.
( He was wearing a cap. The cap was black) |
 |
| (wool) hat |
Muts
een/ de muts
1 muts > 2 mutsen |
|
Zij had een muts op. De muts is rood.
( She was wearing a hat. The hat was black) |
 |
| shirt |
Overhemd
een/ het overhemd
1 overhemd > 2 overhemden |
|
Een mooi overhemd. Het overhemd is mooi.
( A nice shirt. It was a nice shirt) |
 |
| Jack/ Coat |
Jas
een/ de jas
1 jas > 2 jassen |
|
Een jas is lekker warm. De jas is lekker warm.
( A coat can be nice and warm. A jack is nice and warm) |
 |
| Dress |
Jurk
een/ de jurk
1 jurk > 2 jurken |
|
Een vrouw draagt een jurk. De jurk staat haar goed.
( A woman wears a dress. The dress looks nice on her) |
 |
| Shirt |
Hemd
een hemd
1 hemd > 2 hemden |
|
Een hemd draag je in de zomer, of als ondergoed.
( In the summertime you can wear a sleeveless shirt, or as underwear) |
 |
| Glasses |
Bril
een/ de bril
1 bril > 2 brillen |
|
Met een bril zie je beter. De bril staat je goed.
(With glasses you can see better, the glasses look nice on you) |
 |
| Sock |
Sok
de sok(ken)
1 sok > 2 sokken (paar) |
|
Hij heeft gele sokken aan. De sokken zijn geel. Een sok zit aan je voet.
( He had yellow socks on. A sock is on your foot ) |
 |