Huiswerk-verbs

  1. de voltooid tegenwoordige tijd (of perfectum): hij heeft gewoondhij is gekomen;
    the present perfect: he lived, he came;
  2. de voltooid verleden tijd (of plusquamperfectum): hij had gewoondhij was gekomen.
    the past perfect : he had lived, he had come.

Maak de zinnen compleet met een hulp- en een hoofdwerkwoord.
Complete the sentences with an auxiliary and a main verb.

Zet de zin daarna in de de voltooid tegenwoordige tijd en in de voltooid verleden tijd.

Then put the sentence in the present perfect and the past perfect.

1. Ik _____ gisteren naar de film ________. heeft, kijk
2. Zij _____ vorige week naar Frankrijk ________. ben, reis
3. Wij ______ vanochtend een lekkere lunch ________. heb, had
4. Jij ______ gisteren mijn boek niet ________. heb, lees
5. Hij ______ twee uur in de file ________. heb, staan
6. Zij (meervoud) ______ vorige maand een nieuwe auto ________. heb, koop
7. De kinderen _____ gisteren naar de speeltuin ________. ben, ga
8. Hij ______ vanochtend vroeg opgestaan en heeft meteen ________. ben, werk
9. Zij (meervoud) ______ gisteren een heerlijke taart ________. hebt, bak
10. Wij ______ vorig jaar een wereldreis ________. heb, maak
11. De hond ______ de hele nacht ________. hebt, blaf
12. Maandag _______ wij onze vrienden ________. heb, bezoek
13. ______jij gisteren je huiswerk ________? hebt, maak
14. Zij ______ vorige week ziek ________. ben, ben
15. Ik _____ net mijn telefoon ________. heeft, vind
16. Zij (meervoud) hebben vorige maand een nieuwe huis ________. hebt, koop
17. Ik _____ vorige week naar de bioscoop ________. bent, ga
18. Hij ______ de hele middag aan zijn project ________. heb, werk
19. Zij ______ vanmorgen haar kamer ________. heb, ruim(op)
20. Wij _______ vorige maand een nieuwe router ________. hebt, koop
21. Hij _______ vorig jaar naar Thailand ________. zijn, reis
22. Zij __________ gisteren een heerlijk diner ________. heb, heb
23. Wij __________ vorige week naar een concert ________. heb, luister
24. Hij ________ de hele avond ________. hebt, dans
25. De kinderen ____ vanmiddag naar het zwembad ________. ben, ga
26. Zij (meervoud) _____vorige maand een nieuwe laptop ________. heeft, koop
27. De monteur _____ vanochtend onze auto ________. heb, repareer
28. Ik _____ vorige maand naar Parijs ________. heeft, ga
29. Zij (meervoud) ______ gisteren een spannende film ________. heb, zie
30. Ik _____ vanochtend heerlijk ________. heeft, ontbijt