|
Zinnen met “sch” |
|
| 1 |
De schaduw viel op de schutting in de tuin. |
|
| 2 |
Het schip vaarde snel over de gladde scheren. |
|
| 3 |
Ze kocht een prachtige schotel voor het avondeten. |
|
| 4 |
Zijn schetsen waren een bron van inspiratie voor de kunstenaar. |
|
| 5 |
De schatkist was vol met schitterende juwelen. |
|
| 6 |
‘s Nachts hoorde hij het geschreeuw van de schreeuwleeuwerik. |
|
| 7 |
De scheidsrechter nam een moeilijk besluit tijdens de wedstrijd. |
|
| 8 |
Hun schuilplaats was goed verborgen achter de schutting. |
|
| 9 |
De kinderen speelden enthousiast in het schimmige bos. |
|
| 10 |
Ze maakte een schokkende ontdekking in het oude archief. |
|
| 11 |
De schilder zette een schaduwrijke plek op het doek. |
|
| 12 |
In de schuilkelder luisterde hij naar het gesis van de verwarming. |
|
| 13 |
Het geschrift op de muur vertelde een schokkend verhaal. |
|
| 14 |
De schaterlach van het meisje vulde de lucht met vreugde. |
|
| 15 |
Op de school had hij altijd een sterke affiniteit met de geschiedenis. |
|